Hoe oogst je méér met minder?
De uienteelt staat onder druk. Niet omdat het gewas minder belangrijk is geworden, maar omdat de omstandigheden waaronder de groente geteeld wordt fundamenteel veranderen. Gewasbeschermingsmiddelen worden afgebouwd, meststoffen staan onder toenemende regulering, het weer laat zich steeds minder voorspellen en de ziektedruk neemt toe. Tegelijkertijd blijven de eisen vanuit de markt onverbiddelijk hoog. Uniformiteit, hardheid en bewaarbaarheid en een lage milieufootprint zijn geen pluspunten meer, maar randvoorwaarden.
Juist door deze combinatie van factoren verschuift het zwaartepunt van de Nederlandse uienteelt steeds verder naar de basis: de bodem. Wat daar gebeurt vóór het zaaien, bepaalt in toenemende mate het resultaat aan het einde van het seizoen. Wie vandaag een perceel uien inzaait, begint dus niet meer met dezelfde uitgangspositie als tien jaar geleden.

22% daling gebruik gewasbeschermingsmiddelen
Sinds ongeveer 2016–2018 zet een daling in de afzet van gewasbeschermingsmiddelen in, die samenhangt met strengere regelgeving, het verdwijnen van bepaalde werkzame stoffen en een toenemende focus op geïntegreerde gewasbescherming. Vooral het gebruik van middelen tegen schimmels en onkruiden neemt zichtbaar af. De grafiek laat daarmee een duidelijke verschuiving zien: van een systeem dat sterk leunt op gewasbeschermingsmiddelen, naar een teelt waarin preventie en weerbaarheid een grotere rol spelen.
Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) [https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2025/46/landbouw-gebruikt-een-vijfde-minder-gewasbeschermingsmiddelen] daalde het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland van circa 5,0 miljoen kilo werkzame stof in 2020 naar ongeveer 3,9 miljoen kilo in 2024, een daling van 22%.
De grootste daling vond plaats in de afgelopen vijf jaar. Waar de afname jarenlang geleidelijk verliep, is recent een duidelijke versnelling zichtbaar.
Kijk je verder terug, dan laat ook data van het Compendium voor de Leefomgeving (CLO) zien dat het gebruik is gedaald van circa 5,7 miljoen kilo in 2012 naar 3,9 miljoen kilo in 2024. Tegelijk stuurt Europees beleid, zoals de Farm to Fork-strategie [https://www.pubaffairsbruxelles.eu/eu-institution-news/farm-to-fork-ongoing-reduction-of-chemical-pesticides-use-in-the-eu-but-pace-needs-to-pick-up] van de Europese Commissie, op een reductie van 50% in gebruik richting 2030.
Parallel daaraan staat het middelenpakket zwaar onder druk, zoals ook blijkt uit trends in toelatingen van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Het Ctgb beoordeelt of middelen veilig zijn voor mens, dier en milieu, en voert daarbij Europese regelgeving uit.

Ontwikkeling van het aantal werkzame stoffen voor gewasbeschermingsmiddelen
in Nederland (indicatief, gebaseerd op trendgrafieken uit Ctgb-jaarverslagen (2014–2024)
In de praktijk betekent dit dat werkzame stoffen periodiek opnieuw worden beoordeeld. Middelen die niet meer voldoen aan de huidige eisen, verdwijnen van de markt of krijgen beperkingen in gebruik. Tegelijk komen er minder nieuwe werkzame stoffen bij dan er verdwijnen. Hierdoor wordt het middelenpakket in de landbouw smaller.
Braafste jongetje van de klas
Deze ontwikkeling is niet uniek voor Nederland, maar maakt deel uit van een bredere Europese trend. Nationale toelatingsinstanties zoals het Ctgb voeren het beleid uit dat op Europees niveau wordt vastgesteld. De manier waarop dit beleid nationaal wordt toegepast, bepaalt echter hoe sterk telers de gevolgen ervaren.
Nederland volgt de Europese toelatingsregels, maar de Nederlandse invulling daarvan zorgt ervoor dat de impact voor de Hollandse uienteler vaak eerder en sterker voelbaar is. Volgens het Ctgb hangt dit samen met nationale omstandigheden zoals intensieve landbouw, waterkwaliteitseisen en het gebruik van actuele beoordelingsmethoden. Daardoor kunnen middelen in Nederland eerder worden beperkt of verdwijnen dan in andere lidstaten.
In de uiensector leeft dan ook het beeld dat Nederland het ‘braafste jongetje van de Europese klas’ is — een positie die voor uientelers nadelig kan uitwerken. Want, opvallend is dat juist de Nederlandse uienteelt al jarenlang tot de gewassen behoort met een relatief laag middelengebruik.
Bescheiden gebruik Hollandse ui
Dat beeld wordt bevestigd in onderstaande grafiek, waarin het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen per gewas wordt weergegeven. Uien nemen daarin een bescheiden positie in ten opzichte van bijvoorbeeld aardappelen, fruitteelt en bloembollen.
Halvering GBM van 50%
Onderstaande tabel laat zien hoe het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zich specifiek in de zaaiuienteelt heeft ontwikkeld. Waar algemene cijfers vaak een geleidelijke daling tonen, maakt deze uitsplitsing op het niveau van de middelen in specifiek de Nederlandse uienteelt zichtbaar dat de daling fors is.
De afname is in werkelijkheid nog groter dan op het eerste gezicht lijkt. Terwijl het areaal zaaiuien sinds 2012 met ruim de helft groeide, halveerde tegelijkertijd het totale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Nieuw speelveld en geïntegreerde gewasbescherming
Gewasbeschermingsmiddelen verdwijnen niet van de ene op de andere dag, maar het speelveld verandert wel structureel. Het middelenpakket wordt smaller en de ruimte om tijdens het seizoen te corrigeren neemt af. Daardoor verschuift het succes van de teelt steeds meer naar de fase vóór het seizoen – en daarmee direct naar de bodem. In Nederland wordt enorm veel gemeten aan de kwaliteit van de bodem. Van vrijwel elk perceel zijn meer dan 50 chemische, fysische en biologische eigenschappen bekend. Bron: https://www.wur.nl/nl/longread/de-bodem-daar-toch-iets-mee
IPM
Deze ontwikkeling sluit aan bij de principes van geïntegreerde gewasbescherming (Integrated Pest Management, IPM) in de uienteelt. IPM is een teeltwijze waarbij ziekten, plagen en onkruiden worden beheerst door een combinatie van preventieve, mechanische, biologische, groene en – als laatste redmiddel – chemische maatregelen. Het doel is om de afhankelijkheid van chemische bestrijdingsmiddelen te verminderen en de impact op bodem- en waterleven te minimaliseren.
Specifieke uitdagingen in de uienteelt
De uienteelt staat onder druk door een verminderd aanbod van toegelaten chemische middelen, waardoor de noodzaak voor een geïntegreerde aanpak groter is. Belangrijke bedreigingen waarvoor geïntegreerde oplossingen worden gezocht, zijn fusarium, uienvlieg, trips en valse meeldauw. https://uireka.nl/uireka-4-0-van-start-nieuwe-impuls-voor-toekomstbestendige-uienteelt/
Uien: geen ruimte voor fouten
Uien hebben een fijn en oppervlakkig wortelstelsel en zijn volledig afhankelijk van wat er in de directe wortelzone beschikbaar is. Ze groeien traag in het begin en hebben nauwelijks herstelvermogen. De eerste weken bepalen alles: - standdichtheid - uniformiteit - uiteindelijke opbrengst.
De rol van de bodem wordt groter[GG2]
De bodem is daarmee niet langer een randvoorwaarde, maar een bepalende factor in de teelt. Die bodem bepaalt:
- of nutriënten beschikbaar zijn
- of wortels zich kunnen ontwikkelen
- of water wordt vastgehouden of afgevoerd
- en hoe weerbaar het gewas start.
pH, structuur en organische stof
Naast nutriënten zijn er drie bodemfactoren die steeds belangrijker worden:
pH
Beïnvloedt de beschikbaarheid van voedingsstoffen en het bodemleven. Kleine afwijkingen kunnen al effect hebben op opname.
Structuur
Bepaalt of wortels zich kunnen ontwikkelen. Verdichting en verslemping beperken de opnamecapaciteit direct.
Organische stof
Speelt een sleutelrol in waterhuishouding, nutriëntenbuffering en bodemleven. Percelen met een hoger organische stofgehalte zijn aantoonbaar weerbaarder tegen droogte en neerslagpieken.
Bron: https://www.handboekbodemenbemesting.nl/nieuws/efficient-omgaan-met-stikstof/
Klimaat maakt de start bepalend
De invloed van klimaat versterkt deze ontwikkeling en vergroot de verschillen tussen uienpercelen. Een goed opgebouwde bodem kan die extremen dempen. Een slechte bodem vergroot ze.
Economische druk dwingt tot precisie
Naast agronomie speelt economie een steeds grotere rol. Meststoffen zijn duurder geworden en vormen een belangrijke kostenpost. Tegelijk neemt de druk toe om emissies te beperken. Dat betekent dat elke kilo die niet efficiënt wordt benut, direct geld kost. Gerichte bemesting op basis van actuele bodemdata wordt daarmee niet alleen agronomisch, maar ook economisch noodzakelijk. Niet meer geven wat standaard is, maar wat nodig is.
Naar een nieuwe standaard in de uienteelt
De combinatie van: - minder middelen - hogere kosten - extremere weersomstandigheden maakt dat de bodem de bepalende factor wordt in de Nederlandse uienteelt.
Voor de uienteelt betekent dat concreet:
beslissingen nemen vóór het zaaien
bodemdata gebruiken bij keuze voor uienvarieteit, bemesting en teeltstrategie
De praktijk: meten én sturen als nieuwe standaard
De Nederlandse uienteelt behoort tot de meest datagedreven ter wereld. Bodemonderzoek, perceelsdata en teeltregistratie zijn voor veel telers niet langer uitzonderingen, maar vaste onderdelen van de bedrijfsvoering. Beslissingen worden steeds vaker genomen op basis van actuele gegevens, in plaats van aannames of standaardgiften.
Daarmee verschuift ook de rol van data. Het gaat niet langer alleen om achteraf analyseren wat er is gebeurd, maar juist om vooraf bepalen wat een perceel nodig heeft. In een teelt waarin de start bepalend is, maakt dat het verschil. Data is daarmee geen hulpmiddel meer, maar een integraal onderdeel van het teeltplan en direct verbonden aan bodemsturing.
Microbioom
De volgende stap in deze ontwikkeling ligt in het begrijpen van de bodem als ecosysteem, inclusief het microbioom, dat een sleutelrol speelt in de weerbaarheid en vitaliteit van het perceel.
Nederland loopt hierin internationaal voorop. Bodemonderzoek is in de Nederlandse praktijk niet langer een ondersteunend instrument, maar een integraal onderdeel van de teeltstrategie. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de beschikbaarheid van nutriënten, maar ook naar de aanwezigheid van bodemgebonden ziekten en de vitaliteit van het bodemleven.
Wat deze aanpak onderscheidt, is de kwaliteit en onafhankelijkheid van het onderzoek. Nederlandse bodemanalyses worden uitgevoerd door gespecialiseerde, onafhankelijke laboratoria die werken volgens strikte protocollen en internationaal erkende kwaliteitsnormen. Van bemonstering tot analyse en interpretatie: elke stap is gestandaardiseerd, reproduceerbaar en controleerbaar.

Met behulp van geavanceerde technieken kunnen ziekteverwekkers en microbiële patronen al ruim vóór het zaaien nauwkeurig in beeld worden gebracht. Daarmee verschuift de aanpak van reactief naar preventief. Voor Nederlandse uientelers betekent dit dat zij niet alleen weten wat er in de bodem aanwezig is, maar vooral ook wat er kan gebeuren. Juist dat inzicht maakt het mogelijk om gerichter te sturen op rassenkeuze, vruchtwisseling en gewasbescherming.
In een teelt waarin de ruimte om te corrigeren steeds kleiner wordt, vormt deze kennis de basis voor een gezonde start. Wie zijn bodem kent vóór het zaaien, teelt niet op gevoel — maar op zekerheid.
Hoe we dat in de praktijk doen in Nederland? Bekijk het hier in de eerste aflevering van onze nieuwe serie [Sustainable Layers l Healthy Soil-Healthy Start]